Vijf perspectieven in de zaak Lili en Howick

Op 8 september 2018 hoorden de gevluchte Armeense kinderen Howick en Lili dat ze toch in Nederland mogen blijven. Eerder oordeelde de Raad van State dat de tieners na lang procederen uitgezet moesten worden. Staatssecretaris Mark Harbers heeft uiteindelijk op het allerlaatste moment van zijn discretionaire bevoegdheid gebruik gemaakt. Deze bevoegdheid kan ingezet worden voor gevallen waar de persoonlijke omstandigheden dusdanig verzwarend en uniek zijn dat dit toepassing van de bevoegdheid rechtvaardigt. Dit kan tot gevolg hebben dat het ene kind simpelweg wel mag blijven en het andere niet. Of dit te verantwoorden is naar immigranten en Nederlandse burgers is erg lastig. Aan de ene kant moet iedereen gelijk behandeld worden; aan de andere kant mogen we in bepaalde situaties blij zijn dat er zoiets als een discretionaire bevoegdheid bestaat. De MarcKrant heeft van de gelegenheid gebruik gemaakt om meerdere perspectieven op het debat te belichten door ieder een stuk te schrijven over de kwestie.

 

Lili en Howick: zowel slachtoffers als gelukkigen

Door Eline Jonkman

Waar ik persoonlijk over struikel zijn de meningen die in het bijzonder gericht zijn tegen Lili en Howick. Mijns inziens hebben deze kinderen nou eenmaal een gezicht gekregen en is het vooral belangrijk dat we hen niet gaan straffen voor wat er is gebeurd. Mijn verwondering ligt vooral bij het feit dat het überhaupt mogelijk is om twee jonge kinderen op de leeftijd van 12 en 13 nog dit land uit te kunnen zetten. Natuurlijk heeft de moeder recht gehad op een procedure, in dit geval een lange, maar moet het dan mogelijk zijn dat (jonge) kinderen hier de dupe van worden? Moet het mogelijk zijn dat zij op zo’n leeftijd nog het land verlaten waarin ze zijn grootgebracht en hen normen en waarden zijn aangeleerd? In mijn ogen niet. Een dergelijke gebeurtenis heeft een extreme impact op een kind van twaalf of dertien jaar en kan bepalend zijn voor de ontwikkeling. Nederland moet meer toezien op ellenlange procedures, zeker die waarbij kinderen zijn betrokken.

Positief aan dit alles is dat Harbers bekend heeft gemaakt een onderzoek in te stellen naar mogelijkheden van verkorting van asielprocedures. Dit alles neemt niet weg dat de algemene twijfels over de beslissingen in de Lili en Howick zaak zeer terecht zijn. Nog steeds is het lastig te rechtvaardigen tegenover andere uitgeprocedeerden dat in dit geval de discretionaire bevoegdheid is ingezet. Dit zorgt voor veel onzekerheid en wellicht valse hoop voor toekomstige asielzoekers in een vergelijkbare situaties.

 

Bekend maakt bemind?

Door Hilde Klok

Volgens Harbers zorgden actuele ontwikkelingen in de laatste uren voorafgaand aan het besluit voor deze uitkomst: het was een unieke beslissing in een unieke zaak. Ongetwijfeld zal dit te maken hebben met de grote media-aandacht die Howick en Lili hebben gekregen.

Het lijkt wel alsof mensen sneller bereid zijn op te komen voor een vluchteling zodra deze een naam en een gezicht krijgt. De zaak Howick en Lili staat niet op zichzelf: kijk bijvoorbeeld naar de zaak van Mauro van een aantal jaren geleden. Feit is dat er naast Howick en Lili nog zo’n vierhonderd andere kinderen zijn die zich in een soortgelijke situatie bevinden – minderjarigen die voldoen aan het Kinderpardon, maar toch bedreigd worden met uitzetting. Men kan zich afvragen: is dit nog wel rechtvaardig? Waarom zij wel en de rest niet? Het antwoord lijkt simpel: omdat Howick, Lili en Mauro in de media een naam en een gezicht hebben gekregen. Dit zet een weg open voor anderen. Zo krijgt VluchtelingenWerk regelmatig verzoeken van buurtbewoners, scholen en anderen om verzoeken te steunen om een bepaalde vluchteling ‘een gezicht te geven’ in de media.1

Is deze gang van zaken wenselijk? Vooropgesteld: ik vind het verschrikkelijk voor alle vluchtelingen zich in een schrijnende situatie van dreigende uitzetting bevinden, maar mijns inziens mag het niet zo zijn dat de minister het oordeel van de rechter zomaar in de wind kan slaan. De minister handelt weliswaar op basis van een bevoegdheid, maar ‘maatschappelijke druk’ en ‘media-aandacht’ lijken mij niet de gronden waarop een dergelijke, schrijnende kwestie beoordeeld moet worden. Het gaat hier om een heftige situatie met grote gevolgen en het oordeel daarover is in dit geval op de juiste plaats bij de rechter, die over alle relevante feiten en omstandigheden beschikt en niet bij de minister, die van een bevoegdheid gebruik kan maken zonder enige motivering.

 

Precedentwerking: terugsturen in de toekomst niet meer mogelijk

Door Sophie Mein

Door het niet terugsturen van Lili en Howick naar Armenië ontstaat er precedentwerking. De andere vierhonderd kinderen die zich in een vergelijkbare situatie bevinden, willen niet teruggestuurd worden. Ze kunnen wel teruggestuurd worden, maar dit is vaak niet verantwoord. In Armenië bestond er geen vrees voor vervolging of voor ernstige schade door onmenselijke behandeling, waardoor het terugsturen van Lily en Howick in casu wel verantwoord zal zijn.

De staatssecretaris heeft naar mijn mening goed gehandeld, doordat hij goed de situatie heeft bekeken en met de Armeense autoriteiten heeft overlegd. Desondanks heeft de staatssecretaris de uitzetting van Lily en Howick tegengehouden. Het probleem is nu dat Nederland als een opvangplaats wordt gezien waar kinderen uit ‘achtergestelde’ gebieden wel kunnen verblijven. De Nederlandse regering stuurt ze immers toch niet terug, als de kinderen met hun zielige kopjes in de media onder de aandacht worden gebracht. Nederland moet de vergelijkbare procedures in de toekomst daarom sneller behandelen, waardoor de kinderen niet een heel bestaan hier opbouwen waardoor het vervolgens opeens zielig is als we de kinderen wegsturen.

Het klinkt dus misschien hard, maar het was beter om ze wel weer naar Armenië terug te sturen. Het voorkomt zo precedentwerking en schending van het gelijkheidsbeginsel in de toekomst. Het precedent dat zal ontstaan is ‘dat kinderen uit arme, gevaarlijke gebieden niet teruggestuurd worden omdat het zielig is en ze hier al een heel bestaan opgebouwd hebben’. Nederland wordt daarmee, zoals ik al zei, een opvangplek voor kinderen uit achtergestelde gebieden.

 

Weg met de discretionaire bevoegdheid

Door  Maarten van der Laan

Jeroen Pauw schonk klare wijn over de voorgenomen uitzetting van Lili en Howick: “Het is gewoon schandelijk dat de minister-president over déze twee kinderen zegt:  'Die moeten het land uit.” Pauw lijkt met zijn woorden de toen heersende publieke opinie met betrekking tot Lili en Howick te vertegenwoordigen. Dit gegeven toont tegelijkertijd de grote maatschappelijke druk die op dat moment op de staatssecretaris heerste om gebruik te maken van zijn discretionaire bevoegdheid.

Mark Harbers werd door het Lili en Howick-debacle voor een dilemma geplaatst: Hij werd gedwongen te kiezen tussen luisteren naar het volk of luisteren naar de rechter. Harbers beschikt als staatssecretaris over een democratisch mandaat: hij is immers benoemd door de Tweede Kamer. Gezien dit gegeven is het begrijpelijk dat hij bij gebruik van zijn discretionaire bevoegdheid rekening houdt met het publieke debat als reflectie van de wensen van het volk.

Deze spanning is altijd aanwezig bij toepassing van de discretionaire bevoegdheid door de staatssecretaris van Vreemdelingenzaken. De bevoegdheid dient ertoe verlichting te bieden in schrijnende gevallen. Hierbij zal het vrijwel altijd gaan om asielzoekers die alle rechtsmiddelen reeds hebben uitgeput.

Binnen een democratische samenleving kunnen we het volk niet kwalijk nemen dat zij een bepaald standpunt inneemt en uitdraagt. Wij kunnen het ook de/een vluchteling niet kwalijk nemen dat hij of zij alle (legale) middelen zal inzetten om in dit veilige, vrije en prettige land te willen verblijven. Wat daarmee rest is de noodzaak tot ontwerp van een solide systeem ter beoordeling van asielaanvragen.

Het huidige systeem kraakt aan haar achterzijde; de discretionaire bevoegdheid is geen laatste redmiddel meer, maar wordt ingezet om de gaten te vullen. Kennelijk biedt de huidige wetgeving dus onvoldoende bescherming tegen het ontstaan van ‘schrijnende gevallen’. Het al te gemakkelijk grijpen naar de discretionair bevoegdheid als wondermiddel leidt tot willekeur en daarmee oneerlijke besluitvorming. De beoordeling van ‘schrijnendheid’ zou daarom ondervangen moeten worden met wetgeving. Laten we beginnen met het stoppen met uitzetting van minderjarige kinderen die hier langer dan vijf jaar rechtmatig verblijven.

 

Media-aandacht boven onze rechtsstaat?

Door Hannah Hilberink

Vol verbazing las ik het bericht dat Lili en Howick waren weggelopen nadat ze het nieuws hadden gekregen dat ze uitgezet zouden worden. Met nog meer verbazing las ik het bericht dat de kinderen vervolgens mochten blijven, dankzij de discretionaire bevoegdheid van staatssecretaris Harbers.

Vrijwel iedereen zal het met mij eens zijn dat deze situatie schrijnend is. Kinderen die hier al (bijna) hun hele leven wonen, zich Nederlandse burgers voelen, en alsnog worden uitgezet naar een land waarvan ze de taal niet eens spreken. Het probleem is hier dat er vierhonderd soortgelijke gevallen zijn in Nederland, vierhonderd kinderen die wel worden uitgezet omdat ze niet in de media zijn verschenen. Er is al veel gesproken over het ‘mediapardon’; zodra kinderen een gezicht krijgen, zit een groot deel van Nederland opeens vol medelijden, terwijl in het geval van verhalen over onbekende kinderen niet door half bekend Nederland een oproep wordt gedaan om te helpen. In mijn ogen is dit ontzettend hypocriet.

De kinderen en jongeren die hier al jarenlang verblijven kunnen werkelijk niets doen aan het feit dat er überhaupt de mogelijkheid is om zo lang te procederen tegen het besluit tot uitzetting. De zaak van Lili en Howick is in 2009 voor het eerst voor de rechter gekomen en sindsdien is er maar liefst acht keer juridisch beoordeeld dat Armenië als een veilig land beschouwd kan worden. De procedures zouden veel sneller moeten gaan om onnodig leed te voorkomen. Er zou geen mogelijkheid moeten zijn om negen jaar te procederen De procedures zouden ingekort moeten worden tot een à twee jaar, om zo mensonterende situaties te voorkomen.

Na het weglopen van de kinderen, de media-aandacht en bedreigingen aan het adres van de staatssecretaris werd er toch besloten de kinderen te laten blijven. De vraag is en blijft natuurlijk welke gebeurtenis hierin doorslaggevend was. Naar mijn mening worden, door het gebruik van deze discretionaire bevoegdheid, de rechters onnodig verklaard door de staatssecretaris. Dhr. Harbers heeft niet in lijn met het oordeel van de rechter gehandeld en er zijn nu talloze kinderen die in dezelfde situatie wel worden uitgezet. Het is tijd voor een duidelijk beleid waarin lang procederen niet mogelijk is en waarin kinderen in soortgelijke gevallen gelijk behandeld worden, volgens het gelijkheidsbeginsel wat in Nederland wordt gehanteerd.

 
1 VluchtelingenWerk Nederland, Standpunt: publiciteit in individuele zaken, geraadpleegd op 10 oktober 2018, https://www.vluchtelingenwerk.nl/wat-wij-doen/standpunten/standpunt-publiciteit-individuele-zaken