Op 9 mei wordt sinds 1985 de Dag van Europa gevierd. In dat kader interviewden wij deze maand mr. dr. Gohar Karapetian. Zij is als universitair docent verbonden aan de Rijksuniversiteit Groningen en verdedigde vorig jaar cum laude haar proefschrift getiteld: Morganatisch burgerschap. Een onderzoek naar burgerschap en politieke representatie van de overzeese burger in het Koninkrijk der Nederlanden, de Franse Republiek en de Europese Unie. Dit jaar willen wij de Dag van Europa niet onbesproken aan ons voorbij laten gaan en daarom stelden wij Gohar Karapetian een aantal vragen over een bijzondere eigenschap van de Europese Unie: het Unieburgerschap. Mede door jurisprudentie van het Hof van Justitie, heeft het Unieburgerschap sinds de invoering een steeds grotere betekenis gekregen. Zo heeft het Hof van Justitie onder meer verklaard dat het Unieburgerschap de primaire hoedanigheid van de burgers van de Europese Unie betreft en speelt het Unieburgerschap een belangrijke rol binnen het nationaliteitsrecht van de lidstaten. Wat is de essentie van deze vorm van burgerschap precies en hoe verhoudt het zich tot het burgerschap van de lidstaten? Je leest het in dit interview!

1. Op 9 mei is het de dag van Europa. Staat u vaak stil bij het gegeven dat u burger van de Unie bent en dat u daar verschillende rechten aan ontleent?

In 1985 werd 9 mei uitgeroepen tot ‘Dag van Europa’. Ik heb mij wel eens afgevraagd waarom juist 9 mei is uitgeroepen tot ‘Dag van Europa’. Dat komt doordat op 9 mei 1950 tijdens een persbijeenkomst in Parijs de toenmalige Franse minister van Buitenlandse Zaken, Robert Schuman, een verklaring voorlas waarin hij pleitte voor een gezamenlijke (in ieder geval) Frans-Duitse productie van kolen en staal – belangrijke grondstoffen voor oorlogsvoering. Hiermee zou, volgens Schuman, de vrede op het Europese continent bewaakt worden. Tot nu toe is dat aardig gelukt op het Europese continent. Het samenwerkingsverband dat begon met de gezamenlijke productie van kolen en staal is nu een Unie met een eigen burgerschap waaruit verschillende rechten voortvloeien. Ik sta zeker stil bij de voordelen van het Unieburgerschap en de daaraan gekoppelde rechten, zoals het vrij en ongecontroleerd oversteken van landsgrenzen en het verblijfsrecht binnen de Unie.

  1. Wat waren volgens u de voornaamste redenen voor het invoeren van het Unieburgerschap binnen de Europese Unie?

Met de inwerkingtreding van het Verdrag van Maastricht in 1993 is de iure het Unieburgerschap ingevoerd. Voor de inwerkingtreding van dit Verdrag, en dus voor de installatie van het Unieburgerschap, waren er verschillende rechten die toekwamen aan de burgers van de lidstaten van de EU. Een voorbeeld is het kiesrecht voor het Europees Parlement, dat sinds 1979 rechtstreeks wordt gekozen. Met de installatie van het EU-burgerschap is de EU een directe en uitdrukkelijke rechtsbetrekking aangegaan met de burgers van de lidstaten. Door dit burgerschap worden burgers, door de verschillende rechten die het behelst, geattendeerd op de voordelen die kleven aan het Europees integratieproject. Door de directe rechtsbetrekking van de burger met de EU wordt de burger dus geholpen de voordelen van de integratie van de EU in te zien. Het Unieburgerschap is een belangrijk instrument om de burgers die gebruik maken van de voordelen van het integratieproject te belonen met verschillende rechten die gekoppeld zijn aan het Unieburgerschap. Daarnaast is een belangrijke reden voor de invoering van het Unieburgerschap geweest dat dit de democratische legitimatie van de EU beoogt te versterken.

  1. Het Europese Hof van Justitie heeft meermaals verklaard dat de primaire hoedanigheid van de onderdanen van de lidstaten het Unieburgerschap moet zijn. Wat zijn de belangrijkste implicaties hiervan?

Het Hof van Justitie van de Europese Unie deed in 2001 uitspraak in de zaak die bekend is komen te staan onder de naam Grzelczyk. Een belangrijke vraag in deze zaak was of Grzelczyk, een Franse burger die lichamelijke opvoeding studeerde in het Belgische Leuven, zich op het Unierecht mocht beroepen, in het bijzonder de bepalingen inzake het burgerschap van de Unie en het non-discriminatiebeginsel om op grond van het Belgische recht een tegemoetkoming in het bestaansminimum te verkrijgen. In deze zaak benadrukt het Hof van Justitie het belang van de status van Unieburger door te overwegen dat de hoedanigheid van burger van de Unie de primaire hoedanigheid van de onderdanen van de lidstaat dient te zijn. Deze overweging van het Hof van Justitie heeft veel pennen in beweging gebracht. De primaire hoedanigheid als burger van de Unie suggereert dat volgens het Hof van Justitie de status van Unieburger fundamenteler is dan welke andere status, inclusief de status van de burger als staatsburger van een van de lidstaten van de Unie. Dit leidt tot verschillende vragen: kan iets (EU-burgerschap) wat afgeleid is uit iets anders (nationaal burgerschap) fundamenteler zijn? Burger van de Unie is immers hij die de nationaliteit bezit van een van de lidstaten van de EU. In hoeverre wordt de hoedanigheid van Unieburger door de burgers zelf als fundamenteler ervaren dan de hoedanigheid van Nederlander, Fransman, Italiaan enzovoorts? Kortom, een van de belangrijke implicaties van deze overweging van het Hof van Justitie, namelijk dat de hoedanigheid van Unieburger fundamenteler is dan de hoedanigheid van nationale burger, leidt tot allerlei boeiende vragen. Het is overigens opvallend dat wanneer het Hof van Justitie het heeft over de nationale hoedanigheid hij spreekt van ‘onderdaan van de lidstaat’ en wanneer het Hof het heeft over de Europese hoedanigheid, hij spreekt van ‘burger van de Unie’. Gedurende de Franse Revolutie is met klem afstand gedaan van de term ‘onderdaan’, en is deze term vervangen door Citoyen, hetgeen een eretitel is. Zo werden bijvoorbeeld ministers en bisschoppen aangeduid met “burger-minister” en “burger-bisschop”.

  1. De mogelijkheid om te bepalen wie tot een bepaalde staat behoort, is van groot belang voor de identiteit van een staat. In hoeverre denkt u dat het nationale burgerschap in de nabije toekomst wellicht wordt opgeheven en vervangen door een Europees paspoort voor alle inwoners van de Europese Unie?

Staatsburgerschap geeft de rechtsverhouding weer tussen de burger en de staat waarvan deze burger deel uitmaakt. Het veronderstelt een wederkerige rechtsverhouding, dat wil zeggen met rechten en plichten over en weer. Bij burgerschapsrechten valt te denken aan het kiesrecht voor vertegenwoordigende organen. Bij burgerschapsplichten kan men denken aan de militaire dienstplicht. De Italiaanse Grondwet stelt bijvoorbeeld dat de verdediging van het land een ‘heilige plicht is voor iedere burger’. Het opheffen van het staatsburgerschap betekent het opheffen van deze innige rechtsverhouding die eigenlijk het fundament vormt van de nationale rechtsorde. Dat is onwaarschijnlijk en lijkt mij ook overigens een slecht idee.

  1. Het nationaliteitsrecht behoort tot de exclusieve bevoegdheid van de lidstaten. Toch moet het nationaliteitsrecht van de lidstaten in overeenstemming zijn met het Europees Recht. Bij het afnemen van de nationaliteit van een Unieburger moet bijvoorbeeld een Europeesrechtelijke evenredigheidstoets worden uitgevoerd, zo bleek uit het arrest Rottmann. Hoe verhoudt het Unieburgerschap zich tot de autonomie van de lidstaten om hun eigen nationaliteitsrecht vorm te geven?

Hoewel het nationaliteitsrecht bij uitstek een terrein is dat uitsluitend valt onder de bevoegdheden van een lidstaat, blijkt uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU dat bij het opstellen van voorwaarden voor het intrekken of verlenen van de nationaliteit van de lidstaat, het EU-recht een relevante rol speelt. Dat is met name als het verlies van de nationaliteit van de burger tevens het verlies van het Unieburgerschap en de rechten die daaraan gekoppeld zijn tot gevolg zal hebben. Al in 1992, in de uitspraak inzake Micheletti bracht het Hof van Justitie naar voren dat hoewel het bepalen van de voorwaarden voor de verkrijging en het verlies van de nationaliteit tot de bevoegdheid van de lidstaten behoort, die bevoegdheid dient te worden uitgeoefend met inachtneming van (destijds) het gemeenschapsrecht. Daarna is in andere uitspraken, zoals in Rottmann en Ruiz Zambrano, invulling gegeven aan dit in Micheletti gemaakte voorbehoud. Het Unieburgerschap leidt er dus toe dat de lidstaten bij de regulering van het nationaliteitsrecht wel degelijk rekening dienen te houden met het Unierecht, in het bijzonder de Europeesrechtelijke evenredigheidstoets.

  1. Denkt u dat het nodig is dat in het EU-verdrag uitdrukkelijk wordt opgenomen dat het nationaliteitsrecht tot de exclusieve bevoegdheid van de lidstaten behoort om de autonomie van de lidstaten inzake het nationaliteitsrecht te behouden?

De afbakening van de bevoegdheden binnen de EU geschiedt door middel van het beginsel van bevoegdheidsverdeling. Op grond van dit beginsel handelt de EU binnen de grenzen van de bevoegdheden die haar door de lidstaten zijn toegedeeld. Bevoegdheden die krachtens de Verdragen niet aan de Unie zijn toegedeeld, behoren toe aan de lidstaten. Het nationaliteitsrecht is niet aan de Unie toebedeeld, met als gevolg dat de bevoegdheid tot het toekennen als intrekken van de nationaliteit nog steeds behoort tot de exclusieve bevoegdheid van de lidstaten. Een bepaling die dit tot uitdrukking brengt in de EU-verdragen zal de activistische houding van het Hof van Justitie echter vermoedelijk geen halt kunnen toeroepen.

  1. U heeft een proefschrift geschreven met de titel ‘Morganatisch burgerschap. Een onderzoek naar burgerschap en politieke representatie van de overzeese burger in het Koninkrijk der Nederlanden, de Franse Republiek en de Europese Unie.’ Hierin constateert u dat, in tegenstelling tot het EU-burgerschap, het Nederlanderschap ‘morganatisch’ is vormgegeven wanneer het aankomt op de koppeling tussen het burgerschap en het kiesrecht voor het (mede)wetgevende orgaan. Hoe bent u tot deze conclusie gekomen?

Het bijvoeglijk naamwoord ‘morganatisch’ is afkomstig uit het adelrecht en wordt gebruikt ter aanduiding van een ongelijkwaardig huwelijk. In een dergelijk huwelijk deelde de vrouw niet in alle rechten die verbonden waren aan de adellijke rang van haar echtgenoot. Een bekend voorbeeld van een morganatisch huwelijk was het huwelijk tussen aartshertog Frans-Ferdinand van Oostenrijk-Lotharingen-Este en de hofdame van keizerin Sissi, Sophie Chotek. De toestemming tot dit huwelijk werd door keizer Frans-Josef gegeven op voorwaarde dat Sophie nooit de titel ‘keizerin’ zou krijgen en dat de kinderen uit dit huwelijk werden uitgesloten van de troonopvolging. Net als bij een huwelijk, veronderstelt burgerschap ook een intieme relatie, maar dan niet tussen twee natuurlijke personen maar tussen de burger en de rechtsorde die dit burgerschap toekent. Morganatisch burgerschap wordt in mijn proefschrift gehanteerd ter aanduiding van een burgerschap waarbij burgers uit hoofde van hun burgerschap niet in gelijke zin aanspraak maken op politieke burgerschapsrechten. Het Koninkrijk der Nederlanden bestaat uit vier landen: Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten. We kennen één staatsburgerschap binnen dit Koninkrijk, met als gevolg dat Arubanen, Curaçaoënaars en Sint Maartenaren Nederlandse staatsburgers zijn. Niettemin worden Nederlandse staatsburgers uit deze overzeese landen politiek niet gerepresenteerd in het de facto vertegenwoordigende orgaan van het Koninkrijk – de Staten-Generaal – waar rijksregelgeving kan worden geïnitieerd, geamendeerd, aangenomen en/of verworpen. De morganatische invulling van het Nederlanderschap leidt er dus toe Nederlandse staatsburgers uit Aruba, Curaçao en Sint Maarten niet delen in de adeldom van politieke burgerschapsrechten in de statutaire rechtsorde – de rechtsorde die in het leven is geroepen door het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden in 1954.

 

Agenda

Online activiteit: toeslagenaffaire!

Hoi leden, het is weer zover wij komen met een nieuwe activiteit! De toeslagenaffaire is natuurlijk iets wat speelt, dit was zelfs de reden voor het aftreden van het kabinet! Wil je meer weten over de toeslagenaffaire en over de rol van de parlementaire...

Lustrumborrel!

Frederik heeft besloten om het lustrum te verplaatsen naar volgend jaar vanwege het Corona-virus dat momenteel heerst. Toch leek het ons leuk om een lustrumborrel te organiseren om het toch nog een beetje te vieren dit jaar! Dus heb jij zin in een leuke online...

Halfjaarlijkse algemene ledenvergadering

Op 27 november vindt de halfjaarlijkse algemene ledenvergadering weer plaats! Deze zal online zijn en begint om 19.00 uur. Wil jij er graag bij zijn? Meld je dan aan door een e-mail te sturen naar: frederikvandermarck@gmail.com. Agenda RECENTE POSTS

RECENTE POSTS

Nieuw bestuur gezocht!

Nieuw bestuur gezocht!

Frederik van der Marck is op zoek naar nieuwe bestuursleden. Ook wanneer je nog niet actief bent bij onze vereniging kan je op deze sollicitatie reageren. Wil jij de uitdaging aangaan door aan het roer te staan van het 36e bestuur? Je leert zowel leidinggeven als...

Constitutioneel toetsingsverbod: achterhaald en risicovol?

Constitutioneel toetsingsverbod: achterhaald en risicovol?

Op grond van art. 120 van de Nederlandse Grondwet is het niet mogelijk om formele wetten – gemaakt door de wetgever – te toetsen aan onze eigen Grondwet. In een extreme situatie is het dus mogelijk dat de wetgever een wet aanneemt die potentieel in strijd kan zijn met...