Over ons

De vereniging

Frederik van der Marck is opgericht op 17 maart 1985 en is dé vereniging voor staats- en bestuursrecht van de Rijksuniversiteit Groningen. In al die jaren heeft de vereniging zich ontwikkeld van een groepje enthousiaste studenten met een gedeelde interesse tot een platform waar studenten, docenten, werkgevers en andere geïnteresseerden met elkaar in contact kunnen komen. Dit past uitstekend in de doelstelling van de vereniging om studenten en andere belangstellenden bij de staats- en bestuursrechtelijke praktijk te betrekken. Dit doel proberen we te bereiken door het organiseren van activiteiten zoals kantoorbezoeken, lezingen en excursies.

Daarnaast wordt op deze website onze blog gepubliceerd, de MarcKrant. Van studenten tot gerenommeerde deskundigen, iedereen met een bijdrage op het gebied van staats- of bestuursrecht krijgt de kans die onder een breed publiek te verspreiden. Lijkt het jou leuk om een bijdrage te leveren aan de MarcKrant Blog? Mail dan naar marckrant@frederikvandermarck.nl. 

Naast deze serieuze bezigheden is Frederik van der Marck een heel gezellige vereniging met leden die altijd wel te vinden zijn voor een drankje of een uitje. Hiermee wordt natuurlijk ook rekening gehouden door het organiseren van borrels, een pubquiz en een binnenlandse reis.

Al met al is Frederik van der Marck een leuke en gezellige vereniging voor enthousiaste studenten die op zoek zijn naar gezelligheid naast hun studie en interesse hebben in staats- en bestuursrecht.

 

Like onze facebookpagina om op de hoogte te blijven van alle activiteiten!

Geschiedenis

Wie was Frederik van der Marck?


Frederik Adolf van der Marck werd geboren op 9 maart 1710 in Hattingen. Hij was het vierde van de in totaal zes kinderen van Johan Adolf van der Marck en Charlotta van der Marck. Na onderwijs gevolgd te hebben aan de gymnasia van Emmerik en Essen, ging Frederik in 1740 aan de universiteit van Duisburg rechtsgeleerdheid en filosofie studeren. In 1748 promoveerde hij en ontving zijn doctorsbul. Hierna zou hij als advocaat in Arnhem werken. In Arnhem ontmoette hij de rijke Agneta van der Horst, waarmee hij in 1752 trouwde. Het was een gelukkig huwelijk en met haar kreeg hij zeven kinderen.

In 1758 kreeg hij een aanstelling als hoogleraar in het ‘ius publicum, ius naturae et ius gentium’ aan de Universiteit van Groningen. Later zou hij ook belast worden met universitaire bestuursfuncties. Frederik pleitte voor afschaffing van het Romeins recht als subsidiair recht. Het natuurrecht als subsidiair recht had zijn voorkeur. Hij was van mening dat het Romeins recht zorgde voor rechtsonzekerheid en rechtsongelijkheid. Volgens hem gaf het Romeins recht slechts informatie over de geschiedenis van het vaderlands recht, maar was het geen gewoonterecht of een erkend afgekondigd wettenrecht.

Frederik ging uit van aangeboren rechten en verplichtingen. Uit het laatste vloeide volgens hem een recht van een rationele en natuurlijke vrijheid voort, die zo weinig mogelijk beperkt mocht worden. Hij zag het Romeins recht als een bedreiging voor de natuurlijke vrijheid en voor de Nederlandse burgerstaat. Zijn standpunt over het Romeins recht was nogal radicaal.

In 1761 besloot hij een gezelschap op te richten met de naam ‘Pro Excolendo Iure Patrio’, dit gezelschap hield zich uitsluitend bezig met de bestudering van het vaderlands recht en was bekend om zijn afkeer van het Romeinse recht. Frederik vond dat het vaderlands recht het belangrijkste recht was. De activiteiten van ‘Pro Excolendo Iure Patrio’, de opvattingen van zijn leerlingen en zijn eigen opvattingen maakten hem niet bij iedereen geliefd en dit leidde veelal tot conflicten. Hij vond tegenstanders bij zowel academici van andere universiteiten als bij zijn Groningse collega’s. En ook de praktijk kon zijn opvattingen niet altijd waarderen.

Frederik had ook kritiek op het juridisch onderwijs. Hij vond dat het nadruk op het Romeins recht het vaderlands recht en het natuurrecht werd verwaarloosd. Bovendien werd er naar zijn mening te weinig aandacht aan het procesrecht besteed en bereidde het juridische onderwijs niet voor op de rechtspraktijk.

Zijn opvattingen over de verhouding tussen kerk en staat, zoals dat de kerk onderworpen was aan de staat, maakten hem natuurlijk niet populair bij de theologen. Zijn werk ‘Lectiones Academicae’ heeft uiteindelijk geleid tot zijn ontslag. Hierin wekte hij de schijn dat de openbaring en het goddelijke oordeel ondergeschikt zijn aan het natuurrecht. Immers was volgens hem het natuurrecht de grondslag van alle disciplines. Hiermee tastte hij autoriteit van de theologen aan. In 1773 zorgden de conflicten met de theologen uiteindelijk voor zijn ontslag op grond van ‘onrechtzinnigheid’.

Ook politieke machthebbers zouden een aandeel hebben gehad in het ontslag. Vooral de burgemeester en curator van de universiteit Anthony Adriaan van Iddekinge (1711- 1789), zou een dubieuze rol hebben gespeeld. Hij zou zijn macht hebben misbruikt om Frederik af te zetten. Het conflict had eenvoudig uitgepraat en opgelost kunnen worden, maar men had bewust Frederik willen afzetten.

Na zijn ontslag was Frederik van plan om opnieuw de advocatuur in te gaan in Nijmegen. Hij zou dan als adviserend en consulterend advocaat de kost verdienen. Maar al snel kreeg hij een hoogleraarschap in de rechten te Lingen aangeboden. Hij verdiende aanzienlijk minder dan hij voordien in Groningen verdiende. In deze periode zou hij deel twee en deel drie van de ‘Lectiones Academicae’ uitbrengen. In 1783 verzocht Frederik om ontslag om een hoogleraarschap te kunnen accepteren te Deventer. Hiermee wilde hij het onrecht door de universiteit van Groningen ongedaan maken.

Zijn hoogleraarschap had hij te danken aan de geestelijk leider van de patriotten Joan Derk van der Capellen tot den Pol waarmee hij bevriend was. In zijn ‘Aan het volk van Nederland’ bleek zijn steun aan Frederik. Zijn inaugurele oratie heette ‘Over de liefde tot het vaderland, te bestuuren overeenkomstig met de redelyke en gezellige natuur der menschen, of over den waaren aard van het zogenaamde Patriotismus’. Hij sprak over volkssoevereiniteit en rechten van de mens.

Na de intocht van de Pruisen vluchtte Frederik naar Burg Steinfurt en werd hij ontslagen. In 1788 bood de graaf van Bentheim-Steinfurt hem een professoraat aan en Frederik werd door koning George III benoemd. Zijn inkomen was echter zo laag dat hij ook de praktijk weer opvatte. Het tij keerde door de inval door de Fransen in 1795, want op 20 maart 1795 werd Frederik te Groningen in zijn oude ambt van hoogleraar hersteld.

In 1798 verscheen de ”Schets van de rechten van den Mensch, het Algemeen Kerke-, Staats- en Volkerenrecht, ten dienste van de Burgerij”. Hierin noemde hij wat volgens hem de aangeboren rechten waren. Het was een opsomming van al zijn opvattingen.

Op 1 november 1800 overleed Frederik Adolf van der Marck te Groningen.

 

Door: Robert Schaapsmeerders